Onafhankelijkheid, Globalisering en de Nationale Staat


Terwijl de globalisering de verschillende samenlevingen steeds meer van elkaar afhankelijk maakt zien we tegelijkertijd zoveel onafhankelijkheidsbewegingen dat er bijna wel een band tussen de twee moet bestaan. De Britten uit de EU maar wel onderdeel van de wereldeconomie, Catalonië uit Spanje maar niet uit de EU, Schotland uit het VK maar ook wel in de EU, de Exit is In zullen we maar zeggen.

Met de vestiging van het kapitalisme en liberale systeem als basis voor de wereldorde aan het eind van de twintigste eeuw nam de internationale vrijhandel een grote vlucht en werd de moderne industriële samenleving onderdeel van ‘The Global Village’ als metafoor voor het fenomeen dat iedereen van elkaar afhankelijk is geworden. Dat gebeurde op grond van staten met een ‘nationale’ identiteit.

De regionale nationalisten willen dan wel uit hun nationale staten, maar zeker in de EU blijven. Het Verenigd Koninkrijk wil dan wel uit de Europese Unie, maar wel een ‘Global player’ zijn.

Alle populisten, Independistas en Brexiteers willen wel de voordelen van internationale handel, maar niet de politieke structuren waarbinnen die handel wordt gevoerd.

Wat opvalt bij alle oprispingen van onafhankelijkheid, is dat niemand terug wil naar een agrarische samenleving. Integendeel, zonder de baten van de globalisering zouden deze onafhankelijkheid dromen geen economische basis hebben.

Men wil af van politieke structuren die als knellend worden ervaren. Het vreemde is nu dat de bestaande politieke structuren die globalisering in goede banen leiden. Het knelt dus niet op het gebied van de resultaten. Het lijkt vooral te knellen op het gebied van soevereiniteit en de beslissingsmacht binnen dat systeem. Immers, als staten en gemeenschappen zijn van elkaar afhankelijk, en niemand kan meer in zijn eentje beslissen over het eigen lot, dat moet binnen een systeem van samenwerking.

En die verplichte samenwerking leidt nu juist tot die wederzijdse afhankelijkheid die zo wordt veracht: ‘Brussel’ ‘de Verenigde Naties’ zijn symbolen voor vermeende opgelegde macht, terwijl het in wezen samenwerkingsverbanden zijn waar binnen nationale staten met elkaar afspraken maken. Voor de regionale nationalisten komt daar dan nog eens de nationale hoofdstad als veracht symbool boven op. Maar ook als ze zich los zouden maken van de nationale hoofdstad, zouden ze gebonden blijven aan de logica en de wetten van de globalisering.

Het probleem is dus niet de globalisering, maar het ontbreken van een daarvoor adequate politieke structuur.

Is voor de regionale nationalisten het nationale kader sowieso een –emotioneel-knellend kader, voor bijna alle regio’s geldt dat waar de nationale staat gedereguleerd en geprivatiseerd heeft, die regio’s vervolgens wel zelfstandige actoren binnen de wereldeconomie zijn geworden. De rol van de burgemeester van Londen met zijn pleidooien voor een aparte status voor zijn stad post Brexit is daar een goed voorbeeld van. Een combinatie van aldus gewonnen economische voorspoed bovenop een al sterk regionaal bewustzijn kan dan leiden tot een situatie als in Catalonie.

Ook de ‘nationale’ nationalisten zijn niet tevreden met de rol van de natie staat op het internationale niveau, waar veelal een vermeend verlies van soevereiniteit wordt betreurd. Dat vermeende verlies van soevereiniteit vindt zijn oorsprong in het feit dat het verlies van controle over de eigen economie door privatisering en deregulering niet wordt gecompenseerd door dezelfde beslissingskracht op internationaal niveau, waar iedere staat een van de vele is.

De kern van de oplossing lijkt zo te liggen op het nationale niveau. Aan de ene kant moet op nationaal niveau een politiek antwoord worden gevonden op de aspiraties van (ontevreden ) regionale politici en hun achterban. Aan de andere kant dienen nationale politici eerlijk te zijn over de besluiten die ze op internationaal nemen en ervoor te zorgen dat die besluiten aan de juiste democratische controle wordt onderworpen, want daar lijkt de schoen te wringen.

Dat zou kunnen worden opgelost door de politieke organen van de internationale organisaties rechtstreeks door de burger te laten kiezen. Te vrezen valt echter dat de opkomst voor de verkiezing van de voorzitter van de WTO alle laagterecords van het Europees Parlement gaat verbrijzelen.

Het antwoord op de globaliseringsscepsis dient derhalve te komen van het nationale niveau als we de baten van de globalisering willen behouden. Een aanpassing van democratische structuren en processen op nationaal niveau lijkt een belangrijke stap om het vertrouwen van de burger te behouden.

 

Advertenties

Het Nederlandse vitale belang vraagt een heroriëntatie op Frankrijk en Duitsland


In Nederland mag men graag denken dat de Nederlandse belangen gelijk lopen aan die van Groot Brittannië. Daar was in de jaren vijftig ook wel wat voor te zeggen. Beide landen waren na WOII en het verlies van de koloniën op zoek naar een nieuwe plek in de wereldeconomie en vooral de wereldhandel.

Als ‘Founding father’ van de EEG was de laatste weliswaar een goed instrument voor Nederland om de handel in Europa veilig te stellen, het mocht geen protectionistisch continentaal systeem worden dat ten koste zou gaan van de meer globale Nederlandse belangen.

De EEG moest voor Nederland eveneens ondergeschikt blijven aan de NAVO daar veiligheid boven economie ging in de tijd van de Koude Oorlog.

Lidmaatschap van Groot Brittannië van de EEG leek dan ook zowel in Nederlands veiligheids- als economisch belang en werd speerpunt van Nederlands’ beleid.

Jammer dat de Britten eerst zelf niet meewerkten, maar in 1972 werd hun EEG lidmaatschap dan toch een feit.

De wereld is sindsdien wel veranderd. Nederland is naast handels- ook industrieland geworden, de oude EEG is de basis geworden voor een hechtere politieke samenwerking en eenwording in Europa, die EU heeft zoveel wereldwijde handelsakkoorden gesloten dat een eventuele tegenstelling van ‘continentaal Europa’  versus ‘globale belangen’ niet meer bestaat, de USSR en diens vazalstaten in oost Europa bestaan niet meer en de Amerikaanse veiligheidsgarantie voor Europa is niet meer vanzelfsprekend.

Op zichzelf al genoeg redenen om de Nederlandse vitale belangen eens goed te bekijken, de Brexit maakt dit een noodzakelijkheid. Immers, nu de Britten niet eens meer hun eigen belangen lijken te kunnen dienen, kunnen we er zeker van zijn dat ze in ieder geval niet die van Nederland zullen dienen.

Gebouwd op de Frans Duitse as, zijn Groot Brittannië, Italië, Spanje en Polen grootmachten binnen de klassieke EU geworden. Nu Groot Brittannië de EU verlaat en de economische relance vorm begint te krijgen, blijkt dat toch alleen de Franse Duitse as de politieke richting van de EU bepaalt.

Alles wat Groot Brittannië de afgelopen jaren heeft tegenhouden komt nu weer op de politieke agenda te staan, en dat zullen Spanje, Italië en Polen om verschillende redenen niet beïnvloeden, ergo, behalve Polen komt het ze goed uit.

Nu moet Nederland een fundamentele keuze maken. Een keuze die dient te worden gebaseerd op de aanname dat op dit moment Duitsland voor Nederland de eerste handelspartner is, zowel qua uitvoer als qua invoer. Bovendien is Nederland het belangrijkste doorvoerland, waarbij de haven van Rotterdam een centrale rol speelt. Handel met Groot Brittannië buiten de Unie zal afnemen door het ontstaan van tariefmuren..

De economische realiteit versterkt het politieke luik. Nederland dient te accepteren dat Groot Brittannië niet meer deel neemt aan de Europese samenwerking en eenwording en dat Duitsland, onze belangrijkste handelspartner, hierin juist het initiatief neemt.

Naast de economie dienen we natuurlijk ook de veiligheidsdimensie in ogenschouw te nemen. Natuurlijk zal Groot Brittannië er in NAVO verband op blijven hameren dat het een kernmacht is en een special relationship met de VS heeft. Dat moge waar zijn, die zelfde VS heeft Europa bij monde van President Trump zeer duidelijk gemaakt dat het verwacht dat Europa zijn eigen defensie betaalt.

En daarmee komen de economische en defensie belangen van Nederland gelijk te lopen binnen de Europese Unie. De politieke toekomst van de EU wordt nu geagendeerd door President Macron en Kanselier Merkel, zaak voor Nederland om zich daar zo nauw mogelijk bij aan te sluiten zodra Merkel herkozen is en Rutte weer in het Torentje zit.

Brexit, een gouden kans voor de wetenschap!


Geschiedenis, economie, interessante vakken maar geen echte wetenschappen in de meeste strikte zin van het woord omdat laboratorium- en dubbel blind proeven niet mogelijk zijn.

De economen hebben dan nog het Grote Communistische Experiment gehad, historici moeten hard werken om niet de journalisten van het verleden te worden.

De Brexit is dan ook een gouden kans voor de wetenschap: een heel land dat zich vrijwillig beschikbaar stelt voor een laboratoriumproef.

Een unieke kans om de hypothese op grond waarvan de Europese samenwerking en eenwording stoelt wetenschappelijk te testen. Die hypothese luidt dat het vrijmaken van de markt leidt tot een optimalisatie van de productiefactoren en daarmee tot het ontstaan van dusdanige interdependenties op economisch, financieel en monetair vlak dat politieke samenwerking en integratie noodzakelijk is. Als gevolg van die noodzakelijke samenwerking verdwijnt het instrument van het gewapend conflict -oorlog- uit de toolkit van de politici.

Deze hypothese ligt ten grondslag aan het originele EEG Verdrag, en nog sterker aan het Verdrag van Maastricht. Immers, een Verenigd Duitsland mocht nooit meer de bron zijn van instabiliteit en geweld in Europa, en daarom was een verdere economische, monetaire en politieke Europese integratie de voorwaarde om Duitse integratie mogelijk te maken.

Eurosceptici trekken dit alles in twijfel, op zijn minst vinden ze dat de soevereiniteit van de nationale staat niet mag worden opgeofferd aan de vermeende voordelen van Europese samenwerking.

De Brexit biedt nu de kans voor een uniek experiment. Men neme een groep landen die zestig jaar een behandeling hebben gehad met een cocktail van vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal en zondere dan een land af aan welke men die behandeling onthoudt, en dan is het een kwestie van meten wat er gebeurt.

Ik stel voor dat een internationaal wetenschappelijk comité verder gaat uitwerken wat er moet worden gemeten, maar ik denk dat de ontwikkelingen in Bruto National Product, koopkrachtontwikkeling, in-en uitvoer gegevens, al een paar goede zijn om mee te beginnen.

Het lijkt mij een uitgelezen kans voor eurosceptici om hun gelijk te bewijzen, en een vervolg op de Brexit te organiseren in de vorm van het stopzetten van het proces van Europese samenwerking en eenwording.

Meten is weten is een oude timmermanswijsheid. Maar ik ben bang dat juist daarom deze unieke wetenschappelijke kans niet zal worden opgepakt door Thierry Baudet c.s.

Zij zullen niet willen meten, omdat ze de waarheid niet willen weten maar in het troebele water van de onkunde hun politieke garen willen kunnen blijven spinnen.

De Angelsaksische Zelfmoord


 Nadat Napoleon de laatste restjes van een middeleeuwse maatschappij inrichting had opgeruimd en vervangen door de centraal bestuurde eenheidsstaat werd diezelfde staat in de romantiek versterkt met een nationaal idee en werd deze zowel cultuurdrager als uitdrukking van de volkswil, in plaats van een groot landgoed zoals dat tot Napoleon vaak het geval was geweest.

In Groot Brittannië ging dit samen met de eerste industrialisatie en een sterke handelsgeest, het Britse imperium het gevolg. De dominantie militaire positie in de wereld leidde tot een Pax Britannica maar ook tot het idee dat de vrije markt economie en een liberale democratie een soort optimum in de maatschappelijke ontwikkeling zou zijn.

De latere dominantie van de Verenigde Staten versterkte dit alleen maar. De Pax Americana leidde tot een verklaring van de rechten van de mens en een de oprichting van de Verenigde Naties naar analogie met de Amerikaanse grondwet. Andere internationale organisaties, IMF, Wereldbank, WTO, WHO werken binnen dit model.

Door de val van de Sovjet Unie leek het Angelsaksische wereldbeeld geen concurrentie meer te hebben en was volgens Francis Fukuyama het einde van de geschiedenis daar.

Met de Brexit en de verkiezing van Donald Trump als president van de VS lijkt de Angelsaksische wereld plotseling de rug te keren naar alles wat haar groot heeft gemaakt: individuele rechten met een liberaal politiek systeem, vrijhandel en globalisering.

Een democratie is meer dan het gelijk van 51% van de kiezers, het is een systeem van evenwicht in wetgeving, beleidsuitvoering en rechtspraak dat er op gericht is niemand ooit de absolute macht te geven zodat het systeem uiteindelijk naar tevredenheid van de overgrote meerderheid van de bevolking functioneert. Pas als die overgrote meerderheid zich herkent in het systeem zullen burgers immers loyaal zijn aan het systeem en burgerschap tonen.

De Angelsaksische wereld lijkt het streven naar zo’n brede meerderheid te hebben ingeruild voor het veel beperkter belang voor de eigen groep (51% is genoeg). Binnen die groep is alles mogelijk inclusief exorbitante persoonlijke zelfverrijking, wie er buiten valt heeft pech. Had die mentaliteit van egoïsme en zelfverrijking al geleid tot de instorting van het mondiale financiële systeem in 2008, het lijkt er sterk op dat diezelfde mentaliteit van eigen- en groepsbelang nu ten koste gaat van het democratische systeem.

In de VS zijn de voorbeelden te over, belasting-, zorg- en infrastructuur plannen die door allen worden betaald maar specifieke groepen het meest profiteren In het VK is met het referendum over de Brexit met het landsbelang gesold opdat de Tories aan de macht bleven. Het uitschrijven van de recente verkiezingen was ingegeven door tactiek van de Tories om van een moment van zwakte van Labour te kunnen profiteren en de Brexit nog harder te kunnen uitvoeren. Verkiezingen zijn onderdeel van het democratisch systeem, ze alleen maar uitschrijven om een partij te bevoordelen is een doodzonde. Een zegen dat deze les gegeven is!

Het blijft verbazingwekkend dat in deze twee belangrijke Angelsaksische landen het grote publiek het accepteert dat het respect voor de instituties wordt ingeruild voor het gebruik van die instituties voor groeps- dan wel eigen belang. Tijd voor reflectie in die landen, zeker. Maar ook voor Europa, daar door de Angelsaksische zelfmoord de geopolitieke wereldorde er anders is gaan uit zien.

Drank, Vrouwen en Jeroen


Nederlanders zijn vooral in eigen land beroemd voor hun kennis van vreemde talen, vooral de variant steenkolen Engels.

Daar waar Vlaamse afgevaardigden steevast Nederlands spreken als de tolken aanwezig zijn, zal een Nederlandse politicus graag de tolken op hun overbodigheid wijzen door zijn betoog gloedvol in het Engels te houden: Mr. Chairman, I am of the meaning that…… en andere parels uit de polder. Het wordt vooral lastig als deze parels in Duits, Frans en andere talen moet worden vertaald.

Ontzetting tekent zich meestal af op de gezichten van de tolken in hun glazen cabines als de geachte Nederlandse afgevaardigde het bewijs van zijn eloquentie aankondigt met: ‘Or, Mr. Chairman, as we say in Duts…….’ en dan volgt er iets in de trant van ‘the first hit is worth a dollar!’ of de eerste klap is een daalder waard.

Jeroen Dijsselbloem had dan ook beter een tolk meegenomen op zijn campagne om zijn mandaat als voorzitter van de Eurogroep af te kunnen maken, ook als hij geen minister meer zou zijn.

Hij zal zijn opmerking in een Duitse krant ‘dat je niet moet rekenen op steun als je je geld op maakt aan drank en vrouwen’ niet letterlijk hebben bedoeld, maar eerder als metafoor voor geld lichtzinnig uitgeven.

Zo werd dat niet uitgelegd. Een Nederlandse uitdrukking wordt dan eerst in het Duits vertaald, geplaatst in een Duitse krant, en wellicht juist daardoor letterlijk zo uitgelegd in Zuid Europa waar Dijsselbloem toch al als de meesterknecht van Schauble wordt gezien.

Algehele verontwaardiging over de suggestie van Dijsselbloem dat steungeld aan bacchanalen wordt uitgegeven.

Geen staaltje van slim intercultureel management als je campagne voert.

En Dijsselbloem was gewaarschuwd, had hij geen opmerking gemaakt over de Riesling consumptie van Juncker, dan had hij nu nog een baan gehad, en zat Frans Timmermans in de Kamer.

Het is al met al een beetje sneu voor iemand die algemeen wordt gezien als een goede voorzitter van de Eurogroep en een bepalende rol heeft gespeeld in het beheersen van de gevolgen van de financiële crisis en het creëren van de mechanismes om de stabiliteit van de €uro ook in de toekomst te garanderen.

Two-pack, Six-pack, Banken Unie, stabiliteits criteria, het Europese semester, het zijn historische ontwikkelingen geweest waar Dijsselbloem zijn steentje aan heeft bijgedragen.

Qua uitstraling past de rol hem ook wel, een beetje klassiek zuinige Nederlandse uitstraling.

Inderdaad niet iemand die zijn geld uitgeeft aan drank en vrouwen en een krachtig bezuinigingsbeleid heeft gevoerd.

Alleen was die bezuiniging op tolken er wellicht één te veel!

Het antwoord op populisme is minder markt en meer politiek


Een populaire illusie in verkiezingstijd is het idee dat verkiezingsprogramma’s, ‘blauwdrukken voor de toekomst’ en dergelijke ook inderdaad die toekomst helpen vorm geven. Politici houden graag die illusie van zichzelf als hogepriesters van de macht in stand. In de praktijk is het opstellen van verkiezingsprogramma’s vooral een proces van meningsvorming binnen de partij op grond van de dan geldende realiteit. En aangezien vandaag altijd anders is dan het morgen dat je gisteren dacht dat het zou worden is de realiteit waarin die programma’s moeten worden uitgevoerd altijd taaier dan programma-commissies zich hadden voorgesteld.

Diezelfde politici moeten wel maatregelen nemen om onvoorspelde crises van welke aard dan ook op te lossen.
Het is dus van belang eerder te kijken hoe de toekomst eruit zal zien dan hoe de programma’s er uit zien.

In de komende jaren staan de Europese landen voor twee grote uitdagingen:

a. Wat is de houding van Europa t.o.v. de nieuwe geopolitieke realiteit, waarbij de Amerikaanse veiligheidsgarantie niet meer gratis is en een antwoord dient te worden gevonden op een assertief Rusland.
b. Hoe wordt het vertrouwen van de burger in het politieke systeem herwonnen.

Beide uitdagingen lijken te zijn ontstaan uit dezelfde politieke bron, een te groot geloof in ‘de markt’. Immers, met het ‘einde van de geschiedenis’ dat wil zeggen het idee dat de liberale, op vrije markt en democratie gebaseerde samenleving het logische eindpunt van de menselijke evolutie zou zijn, leek internationale vrijhandel het klassieke buitenlands en veiligheidsbeleid overbodig te maken. In het binnenlands beleid werd politiek steeds meer vervangen door marktwerking, burgers werden ‘klanten’.

Helaas, Trump, Poetin, IS, Erdogan, banken crisis, sociale uitsluiting om maar wat te noemen zijn zaken die niet aan de markt kunnen worden overgelaten, ze maken politieke keuzes noodzakelijk, wat willen we wel, wat willen we niet. Het grappige is dat juist het populisme een teken is van marktwerking in de politiek. De PvdA is een goed voorbeeld. Terwijl Diederik ‘Greenpeace Ranger’ Samsom zich inzette voor het klimaat, verloor de arbeider zijn ziekenfonds en vaste baan. Is er iemand verbaasd dat in het kader van de efficiency van de politieke markt die arbeider een partij kiest die zich daar wel voor inzet?

Het lijkt erop dat de kiezer zich meer afwendt van de markt dan van de politiek. Een terugveroveren van het publieke domein door de politieke klasse zou dan het logische antwoord zijn. Niet het populisme dient te worden bestreden, maar de gedachte dat de samenleving aan de markt kan worden overgelaten.

Moet Sir Humphrey radicaliseren?


Sir Humphrey Appleby is de iconische verpersoonlijking van de Britse hoge ambtenaar en diplomaat uit de fameuze Britse serie ‘Yes Minister’.

De vleesgeworden beste kwaliteiten van zijn klasse: goed opgeleid, beschaafd, trouw aan het vaderland en altijd de politiek dienend met het aandragen van oplossingen voor problemen die de politici al dan niet al hadden geïdentificeerd. Pragmatisch handelen in het landsbelang met het inroepen van idealen en principes als dat eloquentie en retorica ten goede komt.

Hoewel niet zo uitgesproken, is het beste van Sir Humphrey herkenbaar in vele Britten die in verschillende hoedanigheid in Brussel rondlopen.

Zelden zal hij het achterste van zijn tong laten zien, een eigen mening wordt al gauw verpakt in ‘Some would rather say’ en als ze het echt niet met je eens zijn, dan zijn ze op zijn minst ‘awfully sorry’. Goede collega’s, geduchte tegenstanders.

Perfecte dienaren van de politieke klasse. Het ‘vrijwillig’ vertrek van Ivan Rogers als ambassadeur van het Verenigd Koninkrijk lijkt dan ook niet minder dan een omslagpunt in die traditie.

Rogers was de man die in een, let wel, interne en vertrouwelijke nota aan het cabinet van de Eerste Minister een aantal problemen voor de Brexit op een rijtje zette.

Als worst case schetste hij een scenario met  een exit procedure van 10 jaar. De nota was een samenvattende nota waarin hij niet zozeer zijn mening gaf maar een synthese aanreikte van een aantal analyses opdat de eerste minister optimaal geïnformeerd zou zijn zodat zij zo goed mogelijk haar beslissingen kon nemen.

Die nota werd zorgvuldig gelekt, Rogers weggezet als een ‘pessimist’, en de aanhangers van een ‘zachte Brexit’ werden gemarginaliseerd ten gunste van de meer radicale voorstanders van de ‘harde Brexit’. Nigel Farage riep al meteen op tot een soort zuivering van het ministerie van buitenlandse zaken en vooral de  EU ambassade aangezien daar naar zijn smaak te veel ambtenaren zitten met pro-Europese sympathieën.

Dan ga je je als ambtenaar natuurlijk nog wel eens achter de oren krabben, als er weer situaties moeten worden geanalyseerd en opties voorgelegd. Wil je naast het intellectuele gelijk ook nog eens een carrière hebben, dan moet het ambtelijk advies in de toekomst vooral het partijpolitieke wensdenken dienen lijkt het devies te zijn.

Met wensdenken hebben de Britten hun ‘Empire’ echter niet opgebouwd, en het is zeer de vraag of ze hun plaats in de wereld voor de toekomst er mee kunnen veilig stellen.

Zeker is dat de kwaliteit van de analyses waarmee de Britse regering de Brexit onderhandelingen in gaat niet beter zal worden. Dat zal de onderhandelingen moeilijker maken en dat lijkt voor geen van de partijen goed nieuws.

Sir Humphrey zou ongetwijfeld hebben verzucht: ‘The end of civilisation as we know it’.